Van Moskou tot Wenen en Berlijn worden zijn stukken gespeeld, maar in Nederland is de gevierde Letse theaterregisseur Alvis Hermanis (1965) nog relatief onbekend. Dat gaat binnenkort veranderen want van begin maart tot april worden maar liefst vijf van zijn voorstellingen geprogrammeerd, waaronder drie premières. Vier beroemde gezelschappen komen naar Amsterdam.
Als hij begin februari in de Stadsschouwburg is voor een openbaar interview, vertelt Hermanis dat hij het allerliefst ijshockeyer had willen worden: "Je moet tegelijk kunnen boksen en schaakspelen, fysiek extreem sterk zijn en een strategisch denker."
IJshockey is het niet geworden, maar in zijn manier van theater maken zijn die twee schijnbaar tegenstrijdige kwaliteiten gemakkelijk terug te vinden. Hij probeert met zijn stukken zowel het hoofd als het hart als de onderbuik te raken. Een voorstelling maken begint bij hem met beweging en beelden. Hij wil zo dicht mogelijk bij zijn personages komen, onder andere door hun privéruimte zo precies mogelijk na te bootsen: "Alleen binnen de vier muren van hun huis zijn mensen echt zichzelf, dan houden ze niet de schijn op. Een blik van 5 seconden in iemands woonkamer zegt soms meer over die persoon dan een gesprek van een uur." Voor de voorstelling Sommergäste (naar Gorki) wordt de prachtig afgetakelde villa Fabergé in de buurt van Sint-Petersburg tot in het kleinste detail nagebouwd.
Antropologische blik
De veelzijdige theatermaker wordt geroemd om zijn oog voor detail, zijn humor en zijn voorkeur voor hyperrealistisch beeld en spel. Het gaat altijd over het dagelijkse leven van gewone mensen en toch is elke voorstelling heel anders. Hij houdt er niet van zich te herhalen en probeert telkens een andere stijl uit. Hij heeft een scherpe, haast antropologische blik op het gedrag van mensen. Zoals in The Sound of Silence dat een paar jaar geleden de openingsvoorstelling van de Internationale Keuze van de Rotterdamse Schouwburg vormde en nu ook in Amsterdam te zien is. De songs van Simon & Garfunkel vormen de rode draad van deze voorstelling die een prachtig beeld geeft van een groep idealistische jongeren in het Riga van eind jaren zestig. In de armoedig gemeubileerde, grijzige Oostblokflat sijpelt uit alle hoeken en gaten de verboden muziek van Simon and Garfunkel naar binnen, als boodschapper van een betere wereld. In de voorstelling wordt nauwelijks gesproken. We zien fragmenten uit het leven van een groep jonge mensen: van de eerste kus tot de eerste ruzie, van de eerste trek aan een verboden jointje tot het uitspoelen van de sokken in een goedkoop wasbakje. We voelen mee met hun behoefte om uit de grauwe middelmatigheid te treden, om groots en meeslepend te leven. Misschien werkt de voorstelling het sterkst bij mensen die zich nog iets kunnen voorstellen bij het leven in de jaren zestig of bij de armoe en de politieke tirannie van het voormalige Oostblok. Aan de andere kant overstijgt de voorstelling tijd en plaats. Het is een voorstelling over jongeren overal en door alle tijden heen die snakken naar spannende, nieuwe ervaringen, naar liefde, licht en lucht. Op en top feelgoodtheater, licht van toon, een wonderlijke combinatie van humor en melancholie. (Uitkrant, mrt 2013)