De hele zomer staat Carré in het teken van Het Pauperparadijs, na twee zomers uitverkochte voorstellingen in Veenhuizen. Het succesvollemuziektheaterspektakel met onder meer Dragan Bakema, Paul R. Kooij en Rosa da Silvawordt speciaal aangepast voor Carré, om de Amsterdamse roots nog duidelijker uit de verf te laten komen.

Het verhaal naar de gelijknamige bestseller van Suzanna Jansen – er zijn meer dan 325.000 exemplaren verkocht vanHet Pauperparadijs(2010) –spreekt dan ook geweldig tot de verbeelding. Regisseur Tom de Ket: "Het is dramatisch, het is ontzettend theatraal en het zegt iets over onze geschiedenis. Maar liefst één miljoenNederlanders is een nazaat van de paupers waar het over gaat dus we hebben er allemaal mee te maken." Generaties stadskinderen en armen werden in de negentiende eeuw op transport gezet naar Veenhuizen waar ze in gestichten werden gedrild tot 'fatsoenlijkeburgers'.Jansen kwam bij toeval op het spoor van de dwangkolonie die overigensmet idealistische bedoelingen werd gesticht.

De Ket groeide op vlakbij Veenhuizen: "Ik had geen idee wat zich daar af heeft gespeeld. Er hing wel altijd iets van een intimiderende sfeer, van verboden gebied." De oorspronkelijke voorstelling werd daar op het gevangenisterrein in de open lucht gespeeld. Voor Carré maakt ontwerper Michiel Voet een nieuw decor met spectaculaire videoprojecties. Zo wordt de Westertoren nagebouwd inhout en daarop worden de glas-in-loodramen geprojecteerd.

De Ket: "De voorstelling speelt zich voor een groot deel af in Amsterdam; Teunis, een van de hoofdpersonen komt uit de Jordaan. Begin negentiende eeuw was dat het afvalputje van Nederland, vergelijkbaar met de sloppenwijken in de derde wereld nu. De armoe was enorm. De allerslechtste plek , bestemd voor de allerarmste kinderen, was het Aalmoezeniershuis op de Prinsengracht, het latere Paleis van Justitie. En daar zat Teunis dus. Hij is een van de vele duizenden kinderen die op transport werden gesteld naar Veenhuizen. Ze staken de Zuiderzee over in gammele bootjes en als ze dat overleefden, werden ze in Meppel overgeladen op een trekschuit dwars door het moerassige Drente."

"Eigenlijk was het oorspronkelijke idee erachter helemaal niet verkeerd", zegt De Ket. "De oprichter Johannes van den Bosch was een idealist. Hij was ervan overtuigd dat je mensen kon verheffen door hen aan te werk te zetten en onderwijs te geven. Stevig lichamelijk werk in de buitenlucht, een vaste dagindeling en de afwezigheid van kroegen en bordelen, dat zou de stadse paupers goed doen. Het sociale experiment mislukte gruwelijk, maar je zou kunnen zeggen dat de idealen van van den Bosch uiteindelijk hebben geleid tot onze verzorgingsstaat."

In de voorstelling volgen we de lotgevallen van Teunis die verliefd wordt op Cato, de dochter van een bewaker. Een onmogelijke liefde vanwege het standsverschil en hun verschillende religieuze achtergrond maar als Cato zwanger blijkt, moeten ze wel trouwen. In de voorstelling wordt een verteller ingezet om de grote sprongen in tijd en plaats te overbruggen maar ook om de personages (en het publiek) te confronteren met vragen: hoe zit dat tegenwoordig? De Ket: "Theater moet gaan over nu. Ik benaltijd, ook in de voorstellingen van De Verleiders, op zoek naar urgentie. Dit verhaal moet verteld worden! Het is aangrijpend, het gaat over liefde, over idealen, over geschiedenis, over onze stad, over onze wereld."